die hij opgeschreven had, ging een even zware beschuldiging uit als van die welke er niet stonden. Hij schonk nogmaals zijn glas vol en zette het aan zijn mond om het in één teug te legen, maar nam slechts een kleine slok. Toen schreef hij weer, met tussenpozen. Hij was zo gaan zitten dat zijn vrouw hem niet op zijn vingers kon kijken. Ten slotte schoof hij haar het lijstje toe. Niet meer dan acht namen. Achter elke naam had hij een cijfer gezet, twee of drie. Emma las de lijst vlug door. 'De Bergers. Denk aan hun kinderen. En de...'
Hij liet haar niet uitspreken. 'Ik denk aan alle kinderen. Ik denk aan alle mensen.'
Ze greep hem bij zijn arm. 'Maar hoor nou eens,..'
'Laten we naar bed gaan,' zei hij.
Voor hij in bed stapte, schrapte hij een naam en verving die door een andere.
Na een half uur stond hij op, ging naar de woonkamer en keek het lijstje nog eens door. Hij stond erover gebogen tot hij het gevoel kreeg versteend te zijn. Hij ging terug naar bed, keerde bij de deur van de slaapkamer om en voegde de naam van een gezin met twee kinderen aan de lijst toe. Vier mensen boven het maximum, misschien meer. In de loop van de nacht rekende hij het na en kwam tot een totaal van zevenentwintig. Opnieuw rekenen leverde weer een ander cijfer op. Hij zou morgen druk werk hebben, het werd hoog tijd dat hij wat sliep.
'Je slaapt niet,' zei zijn vrouw.
Hij gaf haar geen antwoord.
Voor hij de deur uitging, zei hij tegen Emma: 'Wie er ook komt, geen woord hierover.'
Hij was rustig, maar bleek, ofschoon hij zich niet moe voelde, alleen leeg. Die leegte was niet alleen innerlijk, ook uiterlijk, een vacuüm waarin hij moest spreken, handelen, beslissingen nemen of nalaten.
Hij betrapte zich op de gedachte dat ook een dode voor beslissingen gesteld kon worden. En toen op de vraag: kan men tegelijk levend en dood zijn? Men kon beter met gedachten dan met gezichten geconfronteerd worden. En wat hij nu tegemoet ging, waren gezichten. Gezichten van mensen die woonden achter naambordjes met een teken waaraan
131