Het experiment
I
De bladeren die nog niet waren afgevallen, ratelden driftig in de wind. Hier en daar fladderden er enkele weg, kleurloos en verschrompeld, maar bijna speels in hun ondergang. Ze huppelden door de straat alsof hun iets anders wachtte dan een einde in modder en vuilnis.
Joseph Wehner keek er een paar na, toen hij iemand verrast hoorde roepen: 'Collega!' Hij kromp ineen, maar het feit dat hem een hand werd toegestoken, verlichtte zijn schrik. Hij beantwoordde de glimlach van de ander, ofschoon hij nog niet wist wie hij voor zich had. 'Hahne! Franz Hahne!' Met behulp van een aantal geheugensprongen vond Wehner aansluiting. Jaargenoten, studiemakkers, na een stevig glas elkaar trouw tot in de dood en daarna uiteengeraakt door de ernst van het leven.
'Hoe gaat het?' vroeg Hahne. Er lag geen glimlach meer op zijn rond gezicht, geen enkele ontcijferbare uitdrukking. Wehner haalde zijn schouders op en keek om zich heen. Niemand scheen op hen te letten. 'Het gaat zoals het gaat,' zei hij.
'We moeten eens praten,' zei Hahne. Hij keek weer wat vriendelijker. 'Waar zou dat kunnen?'
'Bij mij thuis?'
Ze maakten een afspraak, voor dezelfde avond.
Zonder om te kijken liepen ze allebei verder.
De nacht was al gevallen toen Hahne aanbelde. De deur werd bijna onmiddellijk geopend. Wehner had een huisjasje aan. Zijn golvend donker haar was met grijs doorschoten. Zijn hoge voorhoofd leek nog hoger doordat de haarlijn ver was opgeschoven.
Hij stelde Hahne voor aan de gastvrouw. Ze sprak zacht, bijna onverstaanbaar, en wilde zich dadelijk terugtrekken, maar de bezoeker zei dat hij prijs stelde op haar aanwezigheid. Het werd een zwijgende aanwezigheid, zoals die van
128