Er gleed een schaduw over haar gezicht. Het speet Henk dat hij dit gezegd had. Hij veegde echter zijn bezwaren weg en zei, terwijl hij in zijn volle lengte oprees boven het in een tuinstoel uitgestrekte figuurtje: 'We moeten maatregelen nemen om de zomer door te komen.'
'O ja, de zomer, dan is het hier heerlijk,' zei Ida.
'En duur,' vulde Henk aan. Hij ging op de balustrade van het terras zitten, haalde Boerma's briefje te voorschijn en noemde het daarop vermelde totaal. Ida's blik dwaalde naar een onbestemde verte. Voor de zoveelste keer had hij het gevoel dat hij haar niet kon bereiken. Haar enthousiasme was vervlogen; ze sprak zelfs niet over lessen of over adverteren. Ze zei alleen: 'Kom morgen terug.'
Hij stond op, gaf haar een hand en verdween.
In de loop van de volgende morgen, met nog steeds zonnig weer, ging Henk naar de Duinroos terug. Hij had weinig geslapen, gekweld niet zozeer door de vraag hoe het nu verder met Ida moest als wel door het onverklaarbare in haar houding. Hij deed lang over de wandeling, zijn schoenen leken met lood verzwaard. Hier en daar heerste al voorjaars-bedrijvigheid: opgestoven zand werd weggeruimd, luiken werden van vensters verwijderd.
Net als de vorige dag liep hij om Ida's huis heen. Omdat hij haar binnen niet zag, ging hij terug naar de voorkant. Hij had een sleutel van de huisdeur.
De piano in de woonkamer stond open. Er stond muziek op, Mozart. Als een stokoude man hees hij zich de trap op naar boven.
Ida lag op haar bed, haar ogen dicht, haar handen op de dekens.
Hij raakte haar handen aan en toen haar voorhoofd. De koude trok door hem heen als een ijzige wind.
Op het nachtkastje lag een envelop met het opschrift 'Voor Henk'.
Hij overwon zijn gevoel van duizeligheid en scheurde de envelop open. 'Ik dank je voor je vriendschap. Ik heb weken op een andere vriend gewacht. Er is hem waarschijnlijk iets overkomen. Ik heb een mooi leven gehad. Denk maar niet meer aan mij en wees gelukkig. Ida.'
Een half uur later stond hij met een dokter bij haar bed. Er
126