De pianolerares
Onderweg naar de trein besloot Henk Swart even een borrel te gaan pakken.
Het was oktober, zeven uur in de avond.
In het kunstenaarscafé waren precies twee gasten. Terwijl hij staande aan de tapkast zijn versnapering gebruikte, werd Henk op zijn schouder getikt. Een van de cafébezoekers stond achter hem. Omdat Henk hem blijkbaar niet herkende, zei de ander: 'We hebben elkaar van de zomer aan zee ontmoet. Weet u dat niet meer?'
Zijn Duits accent hielp Henk op weg. Ja, dat was die man met wie hij als seizoenkelner een gesprek over politiek had gehad. Hij herinnerde zich zelfs zijn naam nog: Franz. Natuurlijk was de positie van de emigranten ter sprake gekomen. 'Vanmorgen,' zei Franz, 'heb ik een brief gehad van een niet meer jonge vrouw die wil uitwijken, liefst naar zee. Ze heeft een beetje geld en als het haar meezit, kan ze rondkomen.' 'Waarom naar zee?'
'Ze is licht astmatisch en ze heeft een prettige herinnering aan vakanties aan zee in Nederland.'
Henk haalde een notitieboekje te voorschijn, opende het en hield het Franz voor. 'Schrijf hier je adres. Ik zal zien of ik iets kan doen.'
Met een astmatische oude vrouw reisde Henk naar zijn woonplaats. In de slecht bezette trein hoorde hij haar hijgen en hoesten.
Hij zag zijn spiegelbeeld in het raam naast hem en sloot zijn ogen.
Bij zijn aankomst aan zee gierde de herfst hem tegemoet.
Regenbuien en stormvlagen maakten het vérblijf buitenshuis, zelfs voor de geharde kustbewoner, tot een kwelling. Henk ging er toch op uit, al was het maar om niet tegen de muren van zijn kamertje in het huis van zijn ouders op te vliegen.
120