'Het zal wel lukken,' zei ze, terwijl ze aan haar japonnetje plukte, net als op de eerste dag in ons huis.
'U mag niet weggaan!' zei mijn vader. 'De oorlog kan ieder ogenblik naar hier overslaan.'
Maar ze liet zich niet bepraten.
Mijn vader gaf haar ten slotte het adres van een groot confectiebedrijf in een naburige stad. Misschien kon men haar daar plaatsen. Ze bedankte hem, ze bedankte ons allemaal. Met haar pak schoonmaakartikelen, die ze al die tijd bewaard had, onder de arm, liep ze alleen de straat uit.
Ik dacht terug aan die zomeravond toen ze, in het licht van de ondergaande zon, op weg ging naar Cohen. Ze had nu niets sprookjesachtigs.
Nu, jaren later, lijkt het me alsof vóór en achter haar duizenden anderen meeliepen, joden op zwerftocht naar een onbekende horizon.
119