juffrouw Rosenbaum
Met een pak mattekloppers, stofdoeken en aanverwante schoonmaakartikelen verscheen op een dag juffrouw Rosenbaum aan onze deur.
Ze was niet groter dan een kind van twaalf. Een schraal, grijs mensje dat een mengelmoes van Duits en Nederlands sprak en mijn moeders medelijdende hart ertoe bewoog haar een kop koffie aan te bieden. Die koffie werkte als spraakwater. Juffrouw Rosenbaum gaf een overzicht van haar levenservaringen dat ons medelijden een hechte basis verschafte. Ze kwam uit een streek van de Donau-monarchie waar het joden zo moeilijk werd gemaakt dat ze voortdurend uitweken, op zoek naar een omgeving waar hun bestaan niet vergald zou worden. Ze vertelde op enigszins klaaglijke toon haar levensgeschiedenis in een tamelijk vlakke stroom van woorden, die af en toe onderbroken werd door gezucht. Haar relaas werd geaccentueerd door half beschroomde, half vrijmoedige oogopslagen en lichte schouderschokjes, alsof ze bang was voor klappen.
Juffrouw Rosenbaum was naaister, speciaal bedreven in het maken van kinderjurkjes en -schortjes. Als haar man, met wie ze in Nederland getrouwd was, niet een deugniet was geweest, zou ze niet bij medelijdende huisvrouwen met mattekloppers hebben geleurd. Hij was het echter wel, een verkwister die de opbrengst van haar werk had vergokt en zich ten slotte met een andere vrouw uit de voeten had gemaakt.
In arren moede was ze naar haar geboortestreek teruggekeerd, had zich daar niet meer thuisgevoeld en was toen een echte zwerfvogel geworden. Op haar dunne beentjes trok ze van de ene gemeente naar de andere en had in Nederland bijna alle joodse centra aangedaan toen ze eindelijk in onze stad belandde. Daar zat ze de eerste de beste avond bij ons aan tafel en at met voorzichtige hapjes. Tweede porties weigerde ze, ondanks de welgemeende aandrang van mijn moe
112