kwam klagen dat Meijer onder het een of andere voorwendsel bij een bloemenzaak een enorme bos rozen had losgekregen en daar nu in hun huiskamer naar zat te staren alsof het een schat uit de hemel was. Ze wist er geen raad mee.
'Hij moet naar een andere omgeving/ zei mijn vader.
Wat dat voor een omgeving was, begreep ik een week later toen mijn moeder mij met de tram naar een naburig dorp meenam.
Het was rustig najaarsweer. Hier en daar in de tuinen langs de weg stonden nog bloemen, ook rozen.
'Kijk jij hier maar rond,' zei mijn moeder nadat we een hek waren doorgegaan.
Ik slenterde een half uur, een uur misschien door de tuin, langs een meertje, lang perken en rozestruiken, ook langs plantenkassen, waar mannen bezig waren. Een ideaal baantje voor Meijer, dacht ik.
Mijn moeder kwam eindelijk terug. Ze was bleek en zwijgzaam. Ik had niet de moed haar iets te vragen.
Na een week of wat werd Meijer naar het joodse gesticht in Apeldoorn overgebracht. Fietje huilde toen ze afscheid van ons kwam nemen. We moesten harder schreeuwen dan ooit om door haar doofheid heen te dringen. Ik heb haar daarna nooit meer gezien. Ze ging met haar kinderen terug naar Amsterdam.
☆
'Ik woon in Israël,' zei de zoon Mark Barends. Hij was een van het handjevol dat in de oorlog naar Palestina mocht gaan.
'En wat doe je daar?' vroeg ik benieuwd. Zou hij misschien bezig zijn met datgene waarvan zijn vader in zijn laatste dagen had gedroomd?
'Ik maak verpakkingen voor fruit en bloemen/ zei Mark. 'Emballagematerialen,' voegde hij eraan toe omdat hij dat kennelijk een mooier woord vond.
Ik had even de gewaarwording dat ik het zijn vader had horen zeggen.
111