Ze leek dan merkwaardig veel op haar man Meijer, die niet doof was, maar precies zo kon zitten zwijgen. Bij hem duurden die stille perioden vaak van zijn komst tot zijn vertrek. Onder het bewind van zijn vrouw had hij kennelijk alle gelegenheid gehad om zich in zwijgen te oefenen. Anderzijds zal daarbij ook een natuurlijke aanleg in het spel zijn geweest. Of zijn door ervaring gerijpt besef dat als zijn zwijgen niet met goud gelijkgesteld kon worden, zijn spreken al evenmin zilver waard was. Maar zilver, of desnoods nikkel of koper, had hij nodig om te leven.
Vandaar dat hij bij tijden wel degelijk zijn mond roerde, zij het minder onstuimig dan Fietje.
Meijer Barends had een langzame, indringende manier van praten, met een tamelijk zwaar joods accent. Hij moet zich daarvan bewust zijn geweest, want het gebeurde herhaaldelijk dat hij opeens op een andere toon overging. Dan kwamen er bij gevijlde klinkers over zijn lippen en gebruikte hij zinswendingen als 'bij nader inzien', 'alles welbeschouwd' en vreemde woorden als 'conjunctuur', 'rationeel' en dergelijke.
Ik was vaak bang dat hij zou ontsporen door al te wild met zijn vreemde-woordenschat om te springen. Daarom gaf het mij een gevoel van geruststelling als hij weer in zijn gewone spreektrant verviel. Mijn jeugdige meedogenloosheid bestempelde die manier van spreken met 'baggeren in de taal'. Mijn vader vond hem een goedaardige fantast.
Het leek mij dat iemand als Meijer, die geen grond onder zijn voeten had en toch wilde leven, niets anders dan een fantast kon zijn. Dat ontbreken van grond onder Meijers voeten was een fysiek waarneembaar verschijnsel. Hij liep licht gebogen, met kleine, voorzichtige passen, alsof hij vreesde bij de volgende stap in een put te vallen.
Ik zou de verhoudingen geweld aandoen als ik hem vergeleek met de door metafysische angsten gekwelde Pascal die steeds een stoel naast zich moest zien staan om er zeker van te zijn dat daar geen afgrond gaapte. Toch ging de vergelijking niet volkomen mank. Ofschoon Meijer geen filosofische gedachten op schrift stelde, was hij altijd bezig methoden te bedenken om zich in het leven staande te houden. Maar als de fortuin hem iets welwillender bejegende dan gewoonlijk, straalde hij als een misdeeld kind dat een trakta
106