die een afkeer hadden van lichamelijk geweld; misschien niet minder agressief dan hun niet-joodse medemensen, maar meer geneigd om aan hun agressie lucht te geven door geschreeuw en heftige draaibewegingen van een brilletje.
II
Onder de uit België binnengestroomde vluchtelingen waren veel lieden van oostjoodse afkomst. Ook onze kille kon op minstens één zo'n nieuweling bogen.
Wat formaat betreft kon hij gemakkelijk voor twee gelden. Het was een grote, forse man van een jaar of dertig, met een donkerbruine, dichte baard die als een krans zijn blozend gezicht omgaf.
In de sjoel kreeg ik alle gelegenheid zijn Simsonsgestalte te bewonderen die zich als een toren te midden van de kleine joden verhief. Zijn naam was Abraham Holzer, zijn beroep bontwerker.
Geheimen kende onze gemeente weinig en als ze er waren, werden ze achter de hand doorverteld. Zo beweerde men dat Holzer, die een bloeiend bedrijf had moeten achterlaten en berooid over de grens was gekomen, binnenkort dank zij de hulp van een vermogend gemeentelid een nieuwe zaak zou openen.
Nadat hij nu eens bij deze, dan bij gene had gelogeerd, hadden oom Ben en zijn vrouw zich over hem ontfermd. Hiertoe werden ze, behalve door hun aangeboren gastvrijheid, gedreven door het feit dat Holzer in liefde was ontbrand voor Netje, hun jongste en nog ongetrouwde dochter. Netje's grootste merkwaardigheid was haar stem, een schel orgaan dat ze in dienst stelde van een zeer persoonlijke zangkunst die bestond uit improviseren aan de hand van bekende melodieën. Een oningewijde zou haar wellicht hebben verweten dat ze vals zong, maar haar omgeving, die haar muzikale prestaties kende, was overtuigd van haar begaafdheid.
Misschien was Holzer op die stem verliefd geworden. Dat Netje's schoonheid hem had verlokt, was onwaarschijnlijk, want ze was bleek en mager, en mijn jongensogen constateerden dat ze zonder boezem door het leven ging. Zelfs de liefde was blijkbaar niet in staat die tot bloei te brengen.
101