Zoo’n dokter meent het natuurlijk goed, maar ik vind er geen baat bij.
— In dit geval mag dat waar zijn, principieel ben ik daar een tegenstander van. Zoomin als men eigen rechter moet spelen, zoomin moet men aan zichzelf dokteren...
Bonger blijft bleek en peinzend zitten. Wat kan hij zeggen tegen dezen man? Vink ziet zijn verwardheid en heeft medelijden met hem. Hij verwijt zich, dat hij Bonger hierheen heeft gelokt. Nergens voor noodig en de zaak zal er niet dood van gaan, als zij een poosje een ongeschikt employé moet onderhouden...
Zij nemen spoedig afscheid, want Vink moet eenige dringende zaken behandelen. Hierdoor heeft men op het directie-kantoor geen tijd om over Bongers welvaren te delibereeren. En zoo raakt de patiënt weer daar waar hij het liefst is: in het vergeetboek.
Fie heeft toch met Van Swieten gesproken. Ze was al spoedig op de mooie wandschilderingen uitgekeken en begon zich te vervelen. Via een bediende, die passeerde, liet zij toen haar zwager roepen. Deze gedroeg zich als een schooljongen, die voor den bovenmeester moet verschijnen.
— Jongen, wat doe je zenuwachtig!
— Ik? Waar heb je ’t over?
Hij kan toch niet zeggen, dat hij hen van een verhouding verdenkt en daar nu eens poolshoogte van wil nemen? Of is dat maar zoo’n plotselinge inval en wil hij probeeren, iets anders van Bonger te weten te komen, iets waarnaar hij al jaren zoekt en hij weet niet eens wat hij zoekt...
100