Het is dan prettig, nogmaals van Kareltjes succes te kunnen vertellen. Fie, die erg veel van den jongen houdt, is daarover in de wolken.
— Heerlijk! zegt zij. Knuffel hem voor me en ook Annie en geef vooral de groeten aan Trees...
— Wat blijft Bonger lang boven, zegt hij.
Hij zal ruiken, dat jij hier bent...
— Zoo... Maar wat scheelt ie nou eigenlijk? Is ie werkelijk een bijzonder mensch of verbeeld ik me dat maar?
— Ja, dat verbeeld je je waarschijnlijk. Maar als kind was ie erg knap, wel zoo knap als Kareltje...
— Je bent laag en valsch! barst hij uit. Gemeener dan ik ooit had kunnen denken...
— O, dus je hield me al voor gemeen...
Ze heeft toch spijt van haar woorden, maar er is nu niets meer aan te doen. De brave man moet maar weer goed worden.
Hij geeft haar toch een hand, voor hij naar-boven gaat, maar zijn gezicht staat zoo droevig als zij het nog nooit heeft gezien. Dat was toch werkelijk niet haar bedoeling. Als ze nu even haar liefde voor Kareltje kon bewijzen, dan zou ze het doen: naar zijn huis gaan en hem een doosje chocola meebrengen of iets anders. Maar dat gaat niet. Bonger neemt haar in beslag, daar komt hij al aan. Hij heeft haar hulp hard noo-dig ook, tenminste naar zijn uiterlijk te oordeelen.
— Jongen, je ziet bleek! Die kantoorlucht heeft je zeker geen goed gedaan...
— Dat gaat wel over, zegt hij, maar hij neemt nu toch
101