over in de put... Maar, eerlijk gezegd, vrees ik, dat hij nog absoluut niet in staat is om te werken. Hij is mentaal zoo zwak...
— Eén moment... en Van Swieten keert zich van de telefoon af en vertelt den directeur, wat hij heeft vernomen.
— Vraagt haar, of hij niet op straat kan gaan. Dan kan hij even bij mij komen.
Van Swieten herhaalt dit verzoek en Fie zal het op haar beurt aan den patiënt overbrengen, die toch al van plan was, spoedig even te gaan wandelen.
Dan kan iedereen weer aan zijn werk gaan. Van Swieten is ietwat opgewonden in het vooruitzicht, dat Bonger nu gauw gaat verschijnen.
— Hoe voel je je? vraagt Fie den zieke, wanneer deze is ontwaakt.
— Heel goed, en ik geloof, dat ’t mooi weer is, niet? Dan ga ik straks misschien toch eens een klein stukje wandelen.
Zij beschouwt deze woorden als een boodschap uit den hemel. Het moet wel waar zijn, dat hij heel goed is. Hij blijft, nadat zij hem het verzoek van den directeur heeft overgebracht, uiterst kalm en zegt:
— Precies wat ik had verwacht. Ze hebben me lang met rust gelaten en ik kan ze niet kwalijk nemen, dat ze eindelijk ongeduldig worden.
— En wat zeg je dan tegen den directeur? Wat doe je dan?
Ze weet niet of ze blij of bedroefd moet zijn om zijn kalmte, want een idylle staat op het punt te vergaan.
96