bezoek kunnen brengen. En zei U niet, dat Uw schoonzuster hem oppast?
Dit denkbeeld lacht Van Swieten wel toe. Maar hij vreest, dat hij de opdracht niet zal kunnen uitvoeren en daarom antwoordt hij:
— Waarschijnlijk zal hij mij niet bij zich toelaten, ’t Is zoo’n gesloten natuur... Van iedere toenadering keert hij zich af...
— Dat kan hij zich in ’t privé-leven permitteeren, maar in zaken gaat dat niet op. Jammer, dat er van rijkswege geen controleerend arts naar hem kan worden toegezonden. Maar daar zijn we nog niet aan toe.
Van Swieten knikt weer met het hoofd, het eveneens betreurend, dat het ontwerp-Ziektewet nog niet zijn eindstadium heeft bereikt.
— Belt U hem eens even op! zegt Vink dan. En als hij zelf niet aan het toestel kan komen, dan maar even de zuster.
Met vreugdig kloppend hart voldoet Van Swieten hieraan.
— Spreekt U maar zelf! zegt Vink.
— Hallo!... ja, kan ik meneer Bonger even spreken, of als die niet kan, zuster Roos... Ben jij daar, Fie? Je spreekt met Jo... De directeur, meneer Vink, zit hier naast me. We wilden graag weten, hoe het met Bonger gaat... — Die slaapt op ’t oogenblik, antwoordt Fie. Zeg, ze willen hem toch niet een dokter opdringen?... — Nee, maar wat denk jij ervan? Hoe zijn de vooruitzichten? Tot nu toe heeft hij niets laten weten... — Ja, dat komt, doordat hij aldoor denkt, dat hij den volgenden dag weer aan ’t werk kan gaan. Hij zit er erg
95