dat ze niet naar die zuster is toegegaan, om naar Lou te infor-meeren. Dat schijnt zoo op ’t oog een groote inconsequentie en het is toch alleen maar, omdat Susie haar een antipathie tegen die verpleegster heeft willen aanpraten. Ze beweerde, dat ie het daarmee aanlegt, maar eenig bewijs had ze daarvoor natuurlijk niet. Nu is het toch te laat en ze moet zich nog kleeden. Aanstonds komt Susie en dan gaan ze naar de bioscoop, ofschoon Fannie liever thuis zou blijven. Nou, dat vindt Susie eigenlijk ook prettiger. Die heeft gisteravond een kou opgeloopen, tengevolge van dien akeligen, guren wind, waartegen ze toch gehard zou moeten zijn. Maar in een beroerde stemming van niks vangen ben je voor alles gevoelig. Dus zit ze voortdurend te snuiten en Fannie weet al, dat ze graag wil leenen en heeft zat en genoeg om het te doen. Susie is op haar beurt lief en laat van het juist geleende geld door haar jonge zusje, dat beneden haar kamer aan ’t opruimen is, heerlijke gemberbollen halen voor bij de koffie. Overvloed maakt mild van hart en tong en dus vloeien de confidenties. Susie heeft trouwens haar oogen niet in haar zak. Ze heeft Fannie zien thuiskomen en is handig in het leggen van verband tusschen verschijnselen.
— Ja, zegt Fannie, ’t was machtig leuk en als ’t aan hem lag, dan werd ’t nog veel leuker...
— Zie je wel! stuift Susie op, ik heb ’t wel geweten! Meid, wat een bofferd ben jij toch!
Fannie glimlacht, omdat Susie haar bewonderend en liefhebbend aankijkt en er geen sprake is van boffen, maar van welverdiende eerbewijzen, die men aan een vrouw van bijzon-
87