Fannie. En daarop sloeg hij aan het juichen, maar dat was niet opvallend, omdat iedereen zich beijverde kabaal te schoppen. — Schat, ik heb jou ook lief, zei hij. Ik ben rijk, beste kind, je kan van me krijgen wat je wilt en zullen we samen op reis gaan?... Daar begon Fannie van te duizelen, want er zijn immers zooveel deftige, aanzienlijke snollen en zij is maar een gewoon volkskind, dat nog drommels goed weet, hoe men zonder een blad voor den mond kan spreken. Daar zei ze niets van en ook over die verliefdheid sprak ze heen en over de reis. Ze hield hem op meesterlijke wijze aan het lijntje, maar werd toch vroolijk, louter door dat vorstelijke aanbod om rijke maintenée te worden. Men heeft gedanst en gedronken en met serpentines geworpen en nog een heeleboel dingen gedaan, die ze zich, daar ze in staat van dronkenschap werden gepleegd, onmogelijk allemaal kan herinneren.
Ze krijgt een zeer helder oogenblik, zooals haar wel meer overkomt en denkt: Lou is de echte serieuze kant van mij en de rest is de vroolijkheid... Een type als Frits zou ze rustig kunnen zien krepeeren, te rustiger naarmate hij haar beter in zijn testament zou hebben bedacht. Viezeriken, die met hun geld alles kunnen doen — en daarom is het ook zoo weergaloos heerlijk om geld te hebben... Je wordt dan een keurige dame en als je maar goed oppast, merkt niemand iets aan je. Stel daartegenover een leven met Lou, maar dat is onmogelijk... Wat heeft de liefde haar weer zwaar te pakken. Terwijl ze zoo aan hem denkt, beginnen de waterlanders weer te werken. Dat wordt een heel moeilijk geval voor Fannie.
Het is al middag geworden en dan herinnert ze zich opeens,
86