dere kwaliteiten nu eenmaal verschuldigd is. En zoo’n vrouw kan zich ook veroorloven, verkwistend en luchthartig te doen, waar anderen, minder bevoorrechten, zwaarwichtige allures zouden aannemen.
— Maar, kind, hoe kan je je daarover nou moeten bedenken! roept Susie in stomme verwondering. Nou geloof ik werkelijk, dat het je daar mankeert! — en ze wijst naar haar voorhoofd.
— En als ’t me nou eens daar mankeert? vraagt Fannie en strijkt over haar hart.
Het ernstige gezicht, dat ze daarbij zet, maakt Susie razend. Maar gelukkig krijgt deze juist een hevigen niesaanval, zoo-dat ze Fannie eenige minuten op antwoord moet laten wachten. Dan is ze zoover bedaard, dat ze verdere argumenten nutteloos acht, wat dus wil zeggen, dat haar woordenvloed met verdubbelde kracht losbreekt. Ze spaart geen scheldwoorden, verwijten en insinuaties, want ze is een ware vriendin en zou er om kunnen huilen, dat Fannie haar heil zoomaar in de modder dreigt te gooien.
— Draaf nou niet zoo door, probeert Fannie te sussen. Ik heb toch nog niks af geslagen...
— Je doet het! zegt Susie, alsof ze in de toekomst heeft gelezen. Het is haar teveel: ze barst in snikken uit, wat haar vanwege haar verkouden neus erg onaangenaam is. Ze komt bijna zakdoeken tekort voor die stroomen van vocht, maar Fannie zoekt haar te troosten. Die weet, dat Susie niet om haar vriendin weent, doch om het ongelukkige feit, dat haar zulke schoone mogelijkheden niet worden geboden. Dat is
t
88