VII.
Fannie zit des ochtends in ietwat verfomfaaiden toestand aan een mooie jurk te naaien, die bij het dichtslaan van een taxi-portier is blijven vastzitten en daarbij eenige kwetsuren heeft opgeloopen. Zij streelt de fraaie groene zijde en denkt aan verschillende ernstige dingen, voor zoover zij haar aandacht niet bij het werk heeft.
Dat zij vermoeid is, komt niet door het werken, maar door het vele plezier, dat zij in de achter haar liggende uren heeft gesmaakt en waarop slechts weinig slaap is gevolgd. Ondanks haar ongelukkige liefde zou zij reden tot tevredenheid hebben, indien zij zichzelf zooiets permitteerde. Maar goed, eenige voldoening schenkt het haar toch, dat zij in haar soort blijkbaar niet tot diegenen behoort, die op de laagste sport van de ladder staan. Eenige burgermannetjes hebben het reeds serieus met haar gemeend en het is haar gebrek aan ernst, of misschien iets anders, dat de niet onaanlokkelijke zaakjes deed af springen. En dan is daar de verhouding met Lou, die toch een jongen van ontwikkeling is en die bovendien van het gewone genre sterk, soms wel al te sterk, afwijkt. Hij vormt een soort op zichzelf en komt volkomen tegemoet aan haar behoefte tot fel begeeren. En ze wil die heele af-
84