V.
Een koele hand wordt op zijn voorhoofd gelegd, hij slaat de oogen op en kijkt in die van een vriendelijken, donkeren man. Stel vertrouwen in mij, schijnen die bruine oogen onder den zwaren groei der wenkbrauwen te zeggen. Het is als in een verhaal, dat hij als kind moet hebben gehoord: van een grijsaard, die alle harten wist te openen, maar precies kan hij het zich niet herinneren en er staat ook geen grijsaard aan zijn bed.
— Hoe gaat het ermee? vraagt dr. De Groot.
— Goed, dokter, dank U...
Het baat niet meer, denkt hij, ik moet me overgeven. Het is misschien niet zoo erg...
— Voelt U zich beter dan gisteravond?
— Ja, ik denk, dat ik nu vrij van koorts ben. Misschien kan ik vanmiddag al opstaan, dan ga ik morgen weer aan ’t werk.
— Meent U dat werkelijk of probeert U mij of Uzelf iets wijs te maken?
— Maar ik meen het...
53