bezorgd. Als het licht begint te worden, gaat Susie naar de kamer van haar vriendin, want nu de daad op het punt staat te worden volbracht, vreest zij plotseling, dat Fannie haar bedoelingen niet zal kunnen waardeeren. En het is bovendien heel moeilijk, zoo’n ernstige zaak voor jezelf te houden.
Ze kruipt bij Fannie onder de dekens en geeft haar eerst heel onschuldig een kus. — Fannie, fluistert ze dan, luister eens... Maar ze kan haar verhaal niet uitvertellen, want Fannie grijpt haar beet met handen, wier nagels diep in Susie’s armen dringen.
— Beest! Ellendeling! Wil je ’m vermoorden?... Wanneer wordt dat ding bezorgd? Wanneer — o God, misschien is ie al dood!...
Op slag zijn haar oogen en gelaat nat van tranen en in haar opgewondenheid en woede knijpt en krabt ze Susie hevig.
— Laat me los, stuk vee! protesteert deze. Eerst wou je ’t zelf en nou...
— Wanneer laat je ’t brengen? Zeg het of ik vermoord jou!...
— Vanmorgen, maar...
Fannie hoort het niet meer, ze komt overeind en Susie is bang voor haar houding en oogen en neemt ijlings de vlucht.
Half negen is het als Fannie de straat op loopt, neen rent, want ze kan niet gauw genoeg naar hem toe gaan. Per taxi bereikt ze zijn huis, maar het dienstmeisje zegt, dat meneer Bonger al een minuut of vijf geleden naar kantoor is gegaan. En dan vervolgt Fannie snel haar weg in de richting, die hij moet hebben ingeslagen.
255