Den volgenden morgen, als hij bijna roerloos en zwijgend als een doode aan de ontbijttafel zit, zegt zijn hospita weer:
— Meneer Bonger, wat ziet U er toch vreeselijk slecht uit! Gaat U toch naar den dokter! U hebt beslist iets onder de leden, ik kan het niet langer aanzien...
De arme vrouw huilt bijna, maar Bonger blijft zeer kalm.
— U moet dat niet meer zeggen, mevrouw. U schaadt er U zelf mee, maar mij kan niets gebeuren.
Daarna staat hij op en hij heeft alleen zijn kopje koffie genuttigd. Mevrouw Rijnders peinst op een middel om haar gast voor den ondergang te bewaren en zij besluit, zijn patroons telefonisch op zijn precairen toestand te wijzen. Misschien kan langs dien weg nog iets voor den somberen man worden bereikt.
De gepijnigde familie Van Swieten hoort op dit vroege ochtenduur uit den mond van den arts de mededeeling aan, dat het ergste met den kleinen patiënt is doorleden en stort tranen van ontroerde dankbaarheid. De gelukkige vader spoedt zich naar kantoor, om daar de goede tijding te verbreiden en tevens een ernstig gesprek met zijn collega Bonger te houden, wiens raadselachtige woorden van gistermiddag hem urenlang, tezamen met de smart om Kareltje, hebben gekweld. Er moet nu eindelijk eens volledig opheldering komen...
Ook Susie, Fannie’s doortastend geworden vriendin, heeft een onrustigen nacht doorgebracht. Zij draagt een geheim op het hart en wel, dat hedenochtend het verraderlijke Rebak ten huize van de oorzaak van Fannie’s liefdeleed zal worden
254