Inderdaad is hij kort tevoren in gepeins hier gepasseerd. Hij moet peinzen, want hij kan zich plotseling niet meer herinneren, waarom hij de deur is uitgegaan, waarheen hij op weg is. De kinderen... neen, niet de kinderen — maar wat dan? Een donkere daad, ja donker, zeer donker... De huizen verdwijnen als in een nevel, de rustige straat, de menschen... Als hij bij een kruispunt is aangekomen, blijft hij stilstaan, want hij weet geen richting te kiezen en het is ook niet noodzakelijk. Met de handen in de zakken staart hij voor zich uit, alsof hij op iemand wacht.
Zoo ziet Fannie hem staan en zij beeft en is buiten adem van inspanning, maar ook van bewogenheid, omdat zij hem eindelijk, eindelijk, weerziet.
— Lou! Lou! stamelt zij en omklemt hem, zonder
verder op iets acht te slaan — ze willen je vermoorden! ... O, jongen, lieve, lieve jongen!...
Hij kijkt haar wezenloos aan.
Zijn tweede jeugd is voorbij.
Dec. ’33.
256