— Vraagt me niets, zegt Bonger, want ik weet ’t niet...
En dan legt hij den hoorn neer met een gevoel, alsof hij zijn
eigen doodvonnis teekent. Er was in deze situatie geen ontkomen meer aan: de gang naar Kareltje zou niet zwaarder den last der zelfbeschuldiging op hem hebben doen vallen dan nu zijn wegblijven. Hoe hij zich keert of wendt, hij staat schuldig aan den dood van het kind.
Maar onmiddellijk gaat er een gevoel van rust door zijn hoofd en lichaam. Hij zal boeten voor deze misdaad. Het wondere land van zijn tweede jeugd is verwoest, de harmonie klinkt nog achter hem, maar verder en verder schrijdt hij voort door het witte gebied, dat langzaam wegschemert naar grijs en zwart. Nu duurt het niet lang meer, denkt hij, en ’s avonds aan den maaltijd spreekt hij met mevrouw Rijnders en zijn stem is vlak en monotoon.
— Het gaat nu wel, zegt hij. U denkt, dat het erg met me is, maar het duurt niet lang meer...
— Waar hebt U ’t toch over, meneer Bonger? vraagt de vrouw in grooten angst. U moet naar bed gaan en ik zal den dokter laten komen!
Even schijnt hij zich op te winden. — Nee, geen dokter! Ik ga zoo wel naar bed, maakt U niet bang!
Ach nee, wat zou iemand bang om hem hoeven te zijn? Hij slaapt, hij loopt met zijn rug gekeerd naar het verloren land, maar het schijnt hem soms nog, dat hij de kinderoogen vol zon ziet, die hij zoo heeft bemind. En dan is het hem weer of hij diezelfde oogen in angst ziet geopend. Het zijn korte vlagen, zij kunnen hem niet meer deren.
253