gemompel en dan begint het weer in eenigszins anderen vorm. Een zin is er echter niet uit op te maken.
De benarde vader houdt het niet meer uit en snelt naar de telefoon. — Bonger, zegt hij, doe me een genoegen en kom dadelijk na kantoortijd even hier! Om Godswil, laat me niet in den steek... Kareltje noemt voortdurend je naam en het is nu zoo heel erg met hem... Misschien kan je aanwezigheid hem kalmeeren. Je schijnt een grooten invloed op hem te hebben. Doe je het, ja?...
Bonger, die alleen op kantoor zit, amper tot werken in staat en nu uit zijn gepeins opgeschrikt, weet niet wat te antwoorden. Angstig, angstig is hij, want hij mag niet meer aan het kind denken, laat staan het zien. Vraagt men een misdadiger, naar zijn zwaar gewonde, zieltogende slachtoffer terug te keeren en zegt men dan: Hier, probeer hem te troosten, van den dood te redden... ? Maar als hij Kareltje nu eens van den dood redt?... Ónmogelijk, de emotie zal hem, den redder, op slag machteloos maken, wroeging en wanhoop zullen hem vellen. Nu reeds heeft hij moeite om zich te beheerschen, als hij op Van Swietens smeekbede antwoordt:
— Beste jongen, ik kan het niet... Geloof me: ik houd van het kind, maar ik weet, dat ik een slechten invloed op hem heb en dat hij juist beter zal worden, als ik niet kom...
Hij geeft zijn geheim prijs, hij moet het nu wel doen en het blijkt, dat Van Swieten hem heeft begrepen, want deze vraagt ontsteld:
— Wat heb je dan met hem gedaan?... Hoe komt het, dat ie zoo in de war is?...
252