XXI.
Fannie ijsbeert weer iederen dag langs haar oude route en denkt aan Lou. Alle stadia van verwachting en woede heeft zij doorloopen, ettelijke malen reeds, en zij voelt hoe haar veerkracht en levensdrift in dezen kringloop worden vermalen. Lusteloos wordt zij, met af en toe nog een vlaag van toorn of ook van hoop, wanneer zij een bekenden stap meent te hooren op straat. Zij is zoo poover en nietig door haar terneergeslagenheid, dat amper nog iemand notitie van haar neemt. Zoo raakt zij vervreemd van haar oude vrienden en vriendinnen en haar inkomsten worden zeer gering. Gelukkig dat Susie haar niet in den steek laat. Die is wel zeer met Fannie begaan, maar tevens voelt zij eenige vreugde, omdat eindelijk de rollen zijn omgekeerd en zij de sterkste is geworden. Zij koestert en troost haar vriendin, maar doorgaans heeft dat niet veel uitwerking. En ten slotte voelt Susie de vreugde ook niet meer van beschermster te spelen, maar alleen medelijden, omdat Fannie zoo’n hopelooze liefde in haar hart draagt, en verwondering, omdat een gehaaide vrouw in korten tijd zoo kan worden vernietigd.
Aan Lou denkt Susie nog slechts met haat. Ze heeft hem nooit liefgehad, maar wat hij nu Fannie aandoet, is wel bar-baarsch. En als ze daarbij denkt aan de gemiste kans met
249