— ’t Is zeer de vraag of het een invloed ten goede is... Wie weet of het kind daardoor niet overstuur is geraakt. Een merkwaardiger mensch dan Bonger bestaat er nu eenmaal niet. Hij heeft immers nog absoluut geen blijk gegeven, dat hij bij hem zou willen komen...
Ja, daarin geeft Trees hem gelijk, want zij kan zich niet voorstellen, dat een goede vriend onder deze omstandigheden niet zou overvloeien van teederheid jegens den jongen.
Maar Bonger is de armste, de meest geplaagde mensch van de wereld. Hoe zal hij zich kunnen staande houden in de woestenij van gedachten en gevoelens, waarin hij is terecht gekomen? Zijn tweede jeugd schijnt even hopeloos te zullen voorbijgaan als zijn eerste. Op zijn best vindt hij een verdoo-ving, maar niet het geluk van te verkeeren in het kinderland. Voor de idylle plaatst zich het beeld van het gemartelde Kareltje en hij wil daaraan niet denken. Want het kind moge niet zijn gestorven, hij kan het gevoel niet van zich af zetten, dat hij de schuld is van zijn lijden en hij wil niet weten, dat hij dit gevoel bezit.
De nachten gaan in onrust voorbij, steeds angstiger worden de droomen, waarin moord en doodslag aan alles wat ongerept en onschuldig is hoogtij viert. O, die duizenden kinder-lichaampjes, die bloedig worden mishandeld, gewurgd, onthoofd, verdronken... Maar die oogen vooral, die jonge, open oogen in doodsnood... Het land van zijn tweede jeugd is een slagveld geworden — en nu komt in zijn helderste oogen-blikken de radelooze gedachte in hem boven, dat hij, op dezen weg voortgedreven, lijnrecht de doodenwereld tege
247