En hij kan rustig zijn, omdat hij bijna even vermoeid is opgestaan als hij is ingeslapen. In dezen toestand kan hem niets deren. Het verzadigingspunt van zijn innerlijk absorptievermogen is bereikt. Hij is niet eens meer nieuwsgierig naar de bevinding van Kareltje, want hoe de zaken ook loopen, hij wil er zich geen rekenschap van geven, omdat hij niet de mogelijkheid ziet, tot een uiteindelijke afrekening met zichzelf en de wereld te komen.
Maar Van Swieten is wel zoo vriendelijk, hem ongevraagd op de hoogte te houden. De jongen is nog steeds koortsig en de crisis kan nog wel eenige dagen op zich laten wachten. Hij vertelt zijn collega ook van de vele moeilijkheden, die zijn vrouw en zijn schoonmoeder, alsook hijzelf, zich getroosten om het patiëntje te verzorgen en wat dat voor een consternatie in huis geeft.
— Ja, zegt Bonger, het is verschrikkelijk. Ik hoop maar, dat ie heel gauw weer beter is...
Dat heeft hij al eerder gezegd en hij zal het steeds weer zeggen, zoo vaak de bedroefde vader zijn aandacht voor het ziektegeval vraagt. Maar Van Swieten verzwijgt, dat Kareltje in zijn ijlen dikwijls van oom Lou spreekt, want deze toont toch werkelijk niet genoeg belangstelling voor het arme kind. En dit doet den vader zich weer afvragen, wat er toch eigenlijk tusschen die twee kan zijn voorgevallen. Want ware er werkelijk een normale vriendschappelijke verhouding tusschen hen, dan zou Bonger toch direct den wensch moeten hebben geuit, om zijn kleine vriendje eens op te zoeken. Niets echter daarvan, het schijnt integendeel of de zonderlinge
245