te begeven. Dan richt hij zijn oogen op zijn bibliotheek. Er moet kalmeerende lectuur onder zijn en alleen reeds de concentratie van het lezen zal hem goed doen. Zijn intuïtie doet hem het boek nemen, waaraan hij behoefte heeft: Andersens Sprookjes. De eerste titel, waarop zijn oog valt is „De geschiedenis van een Moeder”. Hij leest dit aangrijpende verhaal van smart en godsvertrouwen. Ai, wat is dit verschrikkelijk, maar in ’t bijzonder voor hem, want hij constateert, dat hij zich aan een gruwelijk plagiaat heeft schuldig gemaakt. Het is misschien meer dan twintig jaar geleden, dat zijn moeder hem deze vertelling voorlas. Maar de inhoud moet wel diepen indruk op hem hebben gemaakt, dat hij zoo kon schrijven als hij het vanavond heeft gedaan en nu, zonder zich er van bewust te zijn, de behoefte had, zich van zijn euveldaad te vergewissen. Hij heeft het geloof van den Deen-schen schrijver gestolen, want in hem leeft het niet. En het was zijn geweten, dat hem dreef tot de vernietiging van zijn product. Maar tevens kan hij nu waarnemen, dat hij ook den noodlottigen afloop heeft gecopieerd en niets weet van den oogenblikkelijken toestand van Kareltje.
Het lamplicht doet zeer aan zijn oogen en hij heeft hootd-pijn. Hij kan den strijd nu niet meer verdragen en hij is ook zoo moe, dat de slaap hem voor verdere angsten zal vrijwaren.
Den volgenden morgen zegt mevrouw Rijnders tegen hem:
— Wat ziet U bleek, meneer Bonger...
— O, dat beteekent niets, ik ben niet ziek, antwoordt hij rustig.
244