de kamer rond, als een waanzinnige. Kinderen worden vernietigd, naar het graf gesleept, naar den barren afgrond van den dood. Ze worden gepijnigd, gemarteld — waarom, waarom?... Waarom is Kareltje gestorven? Dan weet hij het opeens en hij slaat zich met de vuist voor de borst. Hijzelf heeft hem vermoord! Hij heeft hem de gedachte aan den dood ingegoten, hij heeft het vuur in het kind tot een abnormale snelheid opgejaagd en het tientallen jaren doen overspringen. Maar die hersens werkten veel te koortsachtig en het kleine hart kon de vaart niet verdragen — en nu is het uit elkaar gespat. Hij is een moordenaar! Zijn vader heeft zijn moeder vermoord, maar wat beteekent die misdaad, vergeleken bij wat hij heeft gedaan? Want niets is zoo onschuldig en zuiver als een kind en geen zonde weegt zoo zwaar als die, welke aan een kind is begaan. O, waarom is er geen God, die hem kan richten en vernietigen? Waarom is alles zinneloos, leven en dood, bloei en ondergang?...
De papieren op tafel, waarin hij met verfijnde nauwkeurigheid den lijdensweg van zijn slachtoffer heeft beschreven, trekken weer zijn aandacht. Op sadistische wijze heeft hij vreugde gepuurd uit zijn monsterachtigheid. En in een opwelling van walging om zichzelf grijpt hij de moeizaam volgeschreven vellen en scheurt ze aan stukken.
Hoe kan hij zoo den nacht ingaan en verkeeren onder den druk van eenzaamheid, stilte en duisternis ? Hij zoekt een ver-doovend middel, maar heeft er geen. En de gedachte komt niet in hem op, de straat op te gaan en in een apotheek iets te halen, want onbewust vreest hij om zich in de koude ruimte
243