Bonger glimlacht, als hij Van Swietens opgewondenheid waarneemt. Het is een philosophische glimlach, want hij bedenkt hoe hier weer de wet van het evenwicht zich openbaart: tegenover een noodelooze strengheid staat nu een even rede-looze angst... Maar waarom is Van Swietens angst radeloos? Misschien is hij zelf niet minder angstig, zij het dan minder demonstratief. Zijn collega vertelt hem weliswaar, dat de dokter geruststellende woorden heeft gesproken en bovendien heeft Bonger het heele geval uit zijn hoofd willen zetten, maar dat neemt niet weg, dat hij voortdurend met den jongen bezig is. Hij voelt zijn lethargische stemming wijken, de warmte der ontroering is weer in hem, dat doorschouwen en omvatten van den chaos, die leven heet en daarin steeds weer domineerend het beeld van den kleinen, begaafden jongen, op wien de dood in een lang, zwart gewaad komt toegeslopen, de scherpe, als zilver glinsterende zeis achter zich aan sleepend. „De dood van den kleinen knappen jongen” zal het verhaal heeten, dat hij vanavond moet schrijven en veel van wat hij en Kareltje Zaterdagmiddag hebben besproken, zal hij er in te pas brengen. Hij ziet hoe de geest der muziek zich beschermend voor het kind stelt en den ijselijken dood door melodieën van zijn prooi tracht af te houden. Bonger hoort het zingen, het is van zoo’n wonderlijke schoonheid, zoo jubelend en weenend en smeekend, dat hij een huivering door zijn lichaam voelt gaan en er tranen in zijn oogen komen. En verschijnt hij zelf niet ten tooneele, in de gedaante van den vriend van het kind en zegt hij niet, dat de dood van dit kind ver moet blijven, omdat het een groote taak heeft te
Tweede Jeugd 16
241