— Waarschijnlijk een zware verkoudheid. Hij is koortsig. We hebben ’m maar onder de wol gestopt...
— Ik hoop maar, dat ie heel gauw weer beter is, verklaart Bonger.
Wat zou hij anders kunnen zeggen? Hij wil niet denken aan den jongen, dan zou hij zich erg ongerust maken, want hij weet geen schepsel, dat hem zoo dierbaar is.
Zoodra het schaftuur is aangebroken snelt Van Swieten naar huis en zie, daar is juist de dokter gearriveerd. Ouders en arts staan dan aan het bedje van den patiënt. De vader heeft moeite om zijn geagiteerdheid binnen de perken der wellevendheid te houden. Zelfs de moeder is innerlijk nerveus, omdat de jongen nu al den heelen ochtend ligt te ijlen en zijn temperatuur naar de 40 loopt.
De linkerlong is ontstoken, maar er is niet het minste gevaar, zegt de dokter, en ze hoeven zich absoluut niet ongerust te maken. Hij geeft nog eenige aanwijzingen en schrijft een receptje. Vanavond komt hij terug. De ongeruste vader begeleidt hem tot onder aan de trap en of er heusch en werkelijk geen gevaar bestaat en of de dokter het raadzaam acht, een verpleegster te nemen. Och, kwaad kan het niet, maar men hoeft niet zoo hard van stapel te loopen.
Van Swieten bejammert bovenmate het feit, dat Fie niet vrij is, maar het zou kunnen zijn, dat haar werk toevallig vandaag is afgeloopen. Daarom fietst hij vlug even naar haar woning, maar Fie is niet beschikbaar. Wel schoonmama, die dadelijk alle mogelijke hulp aanbiedt en wel zoo de deur zou willen uitloopen, naar het huis harer kinderen.
240