Hij doet graag alles wat ze zegt, want als hij naar bed moet, zou er ook niets komen van zijn pianostudie en meneer Schoe-makers heeft zich zooveel van zijn spel op de uitvoering voorgesteld. En hij houdt zich zoo goed, dat hij zijn moeder twee dagen weet te bedriegen, door te zeggen, dat hij zich al veel beter voelt.
Maar den derden ochtend lukt hem dat niet meer. Hij heeft een koortsigen nacht achter zich, met vele afgeijselijke visioenen. Hij komt nog als gewoonlijk aan het ontbijt, maar zijn moeder kijkt hem scherp aan en hij voelt opeens, dat ze alles weet.
— Kom eens hier, kind, zegt ze. Dan legt ze haar hand op zijn voorhoofd en voelt zijn pols. — Jij komt er niet uit vandaag! Je bent heel erg dom geweest, dat je bent blijven doorloopen. Wil je wat eten?
Maar hij heeft geen trek, alleen maar dorst, omdat zijn keel zoo branderig is. Het geeft niets om te protesteeren als moeder eenmaal iets heeft doorzien. Dus laat hij zich weer naar bed brengen en geeft zich over aan zijn ziek gevoel, waartegen hij eenige dagen heeft gestreden. Van Swieten komt nog even aan het bedje, hevig geschrokken, maar het kind ziet hem niet eens, zoo ziek is het. Dan gaat hij ijlings naar beneden om den dokter op te bellen. En van kantoor af telefoneert hij drie keer naar huis om te informeeren of de dokter er al is geweest. Maar telkens krijgt hij een ontkennend antwoord.
— Kareltje is ziek, vertelt hij zijn collega.
— Och, arm kind! zegt Bonger. Wat scheelt hem?
239