niet voor bespreking vatbaar is. Dit heeft tot heftige huiselijke tooneelen geleid.
Van Swieten, op dien rustigen Zondagmorgen in zijn vaderlijken zetel gevlijd, riep Kareltje bij zich.
— En vertel nu eens, jongen, heb je je gisteren geamuseerd?
— O ja. Dat heb ik gisteravond toch al gezegd!
— Een herhaling kan heusch geen kwaad, hoor! Wat heb je al zoo gedaan?
— O, oom Lou heeft verhaaltjes verteld en ik heb zuurtjes gegeten.
— Oom Lou?...
— Nou ja ik bedoel meneer Bonger, maar ik heb oom Lou tegen ’m gezegd.
— Sta niet zoo aan dat tafelkleed te plukken, Kareltje! Het moet langer mee dan vandaag!
En daarop wou de jongen wegloopen, maar zijn vader riep hem terug.
— Wat heb je een haast, jongen! Ga nou even zitten, ja, daar op dien stoel en vertel me eens: hebben jullie nog over iets gesproken? Over muziek of zoo?...
— Ja, over allerlei dingen, ’t was erg gezellig.
— Heeft meneer Bonger nog al verstand van muziek?
— Och, jawel...
— Kareltje, wat zit je weer in mekaar! Ik heb je al duizendmaal gezegd, dat je rechtop moet zitten! En je moet ook wat duidelijker spreken. Mankeert je soms iets? Ben je niet lekker?
234