XX.
Het verwondert hem zelf, hoe kalm hij is na deze ervaring. Hij gaat aan het werk en hij weet nauwelijks of er iets is gebeurd en of hij zich gelukkig of ongelukkig voelt. Er is nog een horizont en daartegen teekenen zich enkele verschijningen af, maar zeer versluierd. Een doodenstad, een heele doodenwereld, waarin het leven tot rust is gekomen, maar nochtans voortgaat en niemand weet hiervoor een verklaring te geven. En iets meer naar voren ligt een ander land, dat van bloeiende weiden en wouden en spelende kinderen en klokkend, ruischend water. Hij hoeft niet veel moeite te doen, om daar te komen. Hij gaat zitten en alles wat hij zoo vurig liefheeft vloeit naar hem toe. Maar zijn hand is machteloos, want hij kan geen vormen vinden om er dit beleven in te gieten. En dus zit hij urenlang roerloos voor zijn schrijftafel, zonder zelfs een poging te doen om zich te uiten. Ten slotte is hij moe van al dat looze gespeel voor zijn oogen en het kan hem eigenlijk niet meer zoo verrukken, noch bedroeven, hoewel het toch den zin van zijn leven uitmaakt. Later komt alles weer terecht, hij mag niets forceeren, het zal vanzelf gaan.
De slaap is een trouwe bondgenoot, die zelfs geen droomen brengt, maar het kost wel dikwijls inspanning om hem te
232