rend lachen van een kind, en oogen, twee, tien, honderd, duizend paar kinderoogen. En de dennen steken zwart boven de sneeuw uit en zij ruischen somber, alsof er veel leed in de wereld is, maar dat is iets uit een ver verleden of misschien uit een verre toekomst. De kinderen lachen, zij hebben plei-zier, er is geen kind dat leed kent en hij is zelf een kind, hij heeft de wolken van zich weggewischt, hij is een tweede jeugd binnengegaan...
Heel laat in den avond wordt hij verstijfd en pijnlijk wakker voor zijn schrijfbureau. Het papier voor hem is nog onbeschreven, maar dat ziet hij niet. Want als verwezen ontkleedt hij zich, werpt zich op bed en knipt het licht uit. En bijna tien uren lang ligt de slaap op hem als een versteening.
231