Bonger glimlacht. — Maar het spijt je nu toch niet, dat je weggaat...
— Ik ben nu zoo moe. Maar ik weet zeker, dat ik heel gauw weer bij je zou willen zijn.
Dan gaan ze samen per tram naar zijn huis. Als ze door de laatste donkere straten loopen, zegt Kareltje nog:
— Ik vind het zoo verschrikkelijk, oom Lou, dat we elkaar niet meer zullen zien. Maar het is voor jou misschien nog erger dan voor mij...
En weer voelt de man zich beschaamd, maar hij weet niets te antwoorden, hij kan haast niet meer spreken. Het beste is dit heele voorval te vergeten en dan zeer voorzichtig te zijn en niet meer af te wijken van het smalle pad, dat alleen nog voor hem begaanbaar is.
Als door een sluier neemt hij waar, hoe Kareltje zijn moeder om den hals valt, terwijl hij verklaart, dat hij zoo’n heerlijken middag heeft gehad. En dan bedankt het echtpaar Van Swieten hem, maar hij heeft geen tijd en kan onmogelijk nog een kopje thee drinken. Hij heeft een afspraak voor vanavond en wordt al over een kwartier verwacht. Een volgenden keer heel graag en dan is hij al bij de trap, waar Kareltje hem nog eens omhelst. Bonger heeft een gevoel alsof hij huilt, maar dat kan niet waar zijn. Het is nu toch voorbij en dit heeft dus niets meer te beteekenen.
De wereld van den droom is eindeloos diep. Landschappen, wouden, tuinen, weiden en blanke en blauwe en zwarte hemelen. En dieren, vogels en visschen, en wateren en sneeuwvelden, doodstille, witte vlakten van sneeuw. En het klate
230