daarom zegt hij maar, dat hij hoofdpijn heeft.
— Heb je het zoo bont gemaakt vanmiddag? vraagt mevrouw aan Kareltje. Dat wil ik toch niet gelooven...
— Welnee, glimlacht Bonger, die hoofdpijn komt waarschijnlijk door het weer. Hij is heel erg lief...
— Dat gelooft mevrouw toch niet! verklaart Kareltje. Ze heeft net al gezegd, dat ik er zoo ondeugend uitzie!
— Dat was maar een grapje, hoor!
— O, maar dan bent U ondeugend geweest...
En zoo blijven ze voortdurend aan ’t babbelen. Mevrouw Rijnders heeft een gelukkig uurtje, want het is een ware verkwikking, eens zoo’n kleinen, bijdehanden rekel aan tafel te hebben. Ten slotte doet hij haar bijna tranen van dankbaarheid storten, omdat hij na afloop van den maaltijd haar portret teekent. Het heeft een sprekende gelijkenis en ze zal het laten inlijsten en een eereplaatsje aan den wand geven.
— Ja, het is heel mooi, zegt Bonger, maar hij heeft nauwelijks oog voor de teekening, want het project van een nieuw verhaal werkt in hem en er kan ook geen andere redding voor hem zijn dan in de verbeelding, die jeugd en schoonheid doet openbloeien.
Daarna zijn zij samen nog even op zijn kamer.
— Ik ben erg dankbaar voor alles, oom Lou, zegt Kareltje.
— Kom, jongen, je hoeft zulke dingen tegen mij heusch niet te zeggen!
— Maar ik meen het, echt waar! Ik zal het nooit vergeten en ik zal altijd naar je blijven verlangen...
229