Een wereld in fossielen staat — maar hij wil en zal niet meer aan dien waanzin ten prooi vallen!
Kareltje kijkt op, maar zegt niets en oom Lou heeft trouwens de oogen gesloten. De jongen verlangt er nu zelfs naar om weg te gaan, want als hij lang hier blijft, zal alles wat hij onder den invloed van de zwaarmoedige oogen van oom Lou heeft gezegd, hem al te zeer bij blij ven. Misschien zou dat zoo erg niet zijn en hij houdt ook heel veel van oom Lou en heeft erg medelijden met hem, maar zijn moeder is zacht en rustig en kalm en hij is dan toch maar liever bij haar. Om zich aan zijn sombere gedachten wat te onttrekken, bladert hij maar verder in zijn boek en teekent ook wat en zoo gaat de tijd voorbij.
Liesje komt vragen of ze beneden komen eten of dat het hier moet worden gedekt.
— Wat wil je? vraagt Bonger den jongen.
— Als jij ’t goed vindt, beneden. Den vorigen keer heb ik hier gegeten, dan is ’t weer iets anders...
Maar Bonger laat zich niets wijsmaken. Hij begrijpt nu, dat Kareltje zich aan zijn gezelschap wil onttrekken. En hij zou daar slechts verheugd om kunnen zijn, als hij maar niet vreesde, dat deze weinige uren den jongen blijvende schade hebben gedaan. Maar hij heeft alle reden om aan de juistheid van deze veronderstelling te twijfelen, als hij Kareltje aan tafel waarneemt. Het kind toont zich uitbundig verheugd om alles, de omgeving, de spijzen en mevrouw Rijnders, die dan ook heel lief voor hem is. Maar Bonger voelt zich helaas niet in staat om een eenigszins sociale houding aan te nemen en
228