De tweede jeugd

Titel
De tweede jeugd

Jaar
1939

Overig
roman

Pagina's
255



valletje ook niet aardig vindt.

— Jawel, antwoordt deze, maar zoo flauwtjes, dat Kareltje hem met aandacht aankijkt.

— Oom Lou, zegt hij dan, het is verkeerd, dat we zoo met elkaar hebben gesproken. Nu merk ik pas, dat je er niet tegen kan...

Bonger is beschaamd, omdat een kind hem zijn zwakheid toont, maar hij antwoordt:

— Nu ja, dat weet je toch al. Jij bent nog zoo jong, jij kan je makkelijker over de dingen heenzetten...

— Zoolang ik het kan, moet ik het ook doen. Moeder zou er immers vreeselijk verdrietig om zijn, als me iets óverkwam. .. Zal ik nu toch maar weggaan, oom Lou ? Hinder ik je niet?

— Welnee, lieve jongen. En we gaan nu trouwens gauw eten...

Hoeveel zou hij nog kunnen leeren van het kind — als hij maar iets kon leeren... Die sombere uitingen heeft hij hem door zijn verhaaltjes en door zijn uiterlijk ontlokt. Kareltje voelt zoo nauwkeurig aan en hij is misschien van nature heel anders. Misschien ook heeft Bonger er een heel verkeerden uitleg aan gegeven. Hij stelt geen vertrouwen meer in zichzelf, het weinige wat hij nog als zeker beschouwde, is nu ook omvergeworpen en er rest niets dan chaos, dat van ouds bekende gevoel van af- en aanvloeiende wanhoop, als een trage, grijze zee, dat hem misselijk maakt. Hij zal zeer radicaal te werk moeten gaan, wil hij dezen toestand, dien hij reeds definitief voorbij waande, weer te boven komen.


227

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.