— Omdat je geen echt groot mensch bent! Dat kan ik merken als je spreekt... Ik houd alleen van moeder en van jou...
— En tante Fie?...
— Och, die is wel erg lief, maar ik houd pas van iemand, als ik ’m niet wil missen... Vind je me eigenwijs, oom Lou? Ben je kwaad op me?
— Maar, beste, jongen, waarom zou ik kwaad op je zijn? Ik vind het alleen heel verkeerd, dat je zooveel van me houdt. Je bent heusch nog te klein, anders zou ik je uitleggen, waarom ik heelemaal niet zoo waardig ben om bemind te worden.
— O nee, daar ben ik niet te klein voor en het is ook niet waar! Je denkt het maar, omdat er misschien nooit iemand van je heeft gehouden!
Bonger glimlacht om deze diepe wijsheid, maar hij voelt zich evenzeer in staat om te weenen.
— Je vergist je toch heusch, Kareltje! Er zijn misschien nog wel meer menschen, die iets voor me voelen. Ik heb ook een moeder gehad...
Kareltje kijkt bedroefd. — Zal ik maar naar huis gaan?
— Kom nou! Moet ik je nog eens zeggen, dat ik niet kwaad op je ben en het ook niet word?
Door de vreemde uitingen van het kind voelt hij zich los van alle zekerheden. Wat is leeftijd? Wat is ervaring? Alles is door elkaar geworpen en hij kan zich niet begrijpen, wat dit wonderlijke kereltje van hem, pooveren, onbeteekenenden dwaas, wil. Hij staat immers met evenveel onbegrip tegenover deze verschijnselen als ieder ander.
223