De tweede jeugd

Titel
De tweede jeugd

Jaar
1939

Overig
roman

Pagina's
255



niet goed, hoe hij zich hiertegenover moet gedragen.

— Ik hield je voor een opgewekten jongen, zegt hij. Moet je nu werkelijk zoo ernstig doen? Daar zul je later nog gelegenheid te over toe hebben...

— O, dat weet ik heel goed. En daarom ben ik altijd heel vroolijk en doe met de andere jongens mee. Ik zou liever heelemaal geen groot mensch worden...

Met zachte stem, het hoofd tegen Bongers borst gevlijd, zegt hij dit en de ander voelt zich heftig bewogen. Dwingt dit kind zich tot vreugde, als zooveel moede, vertwijfelde volwassenen? Is het uitverkoren om die vreeselijke sensatie te ondergaan, die op alle kinderen slechts een enkelen wordt gegeven: dat dit de tijd van de jeugd is en dat die snel, al te snel voorbijgaat? Maar wat is er in zulke kinderlevens over van het onbevangene, het heldere en frissche, waartoe hij eiken avond voor zijn schrijftafel indroomt? En zijn eigen gevoel van een tweede jeugd, hoe kan het stand houden onder deze bekentenis? Maar hij bedwingt zijn ontroering en zegt:

— Hoe weet je dat nu, Kareltje? Als je ouder wordt, krijg je weer een heel ander inzicht in de dingen.

— Dat moet je niet zeggen, oom Lou. Ik word altijd zoo klein gehouden en ik zal natuurlijk nog wel veranderen, maar er is een heeleboel, dat ik al voor m’n heele leven weet...

Bonger kan zijn ooren niet gelooven. Wie zou er een vermoeden van hebben, dat het ventje zich zoo kan uitlaten?

— Oom Lou, je begrijpt me toch? Je bent de eenige, die me begrijpt!

— Hoe weet je dat?


222

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.