Bonger legt het teekeningetje als een reliquie tusschen zijn papieren.
Daarna leest hij nog zijn verhaal voor van de kinderen en den ooievaar, die moest overwinteren. Dat vindt Kareltje blijkbaar zeer mooi, want hij is er erg van onder den indruk en kan de eerste oogenblikken, nadat Bonger heeft geëindigd, niet spreken. De jongen pakt de handen van den man en drukt ze lang, als om hem te bedanken. Bonger voelt zich eenigszins confuus, ofschoon het slechts een kind betreft. Maar het is misschien dan toch waar, dat anderen iets aan zijn verzinsels hebben.
— O, wat is dat mooi! zegt Kareltje, op zijn schoot zittend.
— Wat vind je er dan zoo mooi aan?
— Alles! Het is zoo echt goed en de natuurbeschrijvingen zijn zoo prachtig. Het moet heerlijk zijn om zoo te kunnen schrijven...
— Je hoeft me anders niet te benijden, jongen. Ik kan teekenen noch piano spelen.
— Och, ik weet eigenlijk niet, of het zoo benijdenswaardig is om die dingen te kunnen...
— Wat is dat? Ik dacht, dat er voor jou bijna niets anders bestaat!
— Dat is waar en ik vind het ook wel heerlijk. Maar als je zooiets kan, heb je het veel moeilijker dan andere menschen...
Bonger kijkt in de open, ernstige oogen van het kind. Waar is het frissche, uitbundige jochie gebleven? Hij weet
221