nu pas, dat zijn gelaatsuitdrukking eerder melancholisch dan vroolijk is.
— Nee, antwoordt hij na eenig peinzen, waarom zou ik kwaad op je zijn? Ik had het alleen niet verwacht, maar dat komt door mijn domheid. Je mag overigens tegen mij alles zeggen wat je wil...
Hij voelt hoe onpaedagogisch hij handelt. Het is hem er absoluut niet om begonnen, het gezag van den vader aan te tasten, maar hij kon toch niet nalaten, dit te zeggen.
— Hè, vertel nu een verhaaltje, dan kunnen we daarna veel prettiger spreken...
— Goed, zegt Bonger, maar ik heb een paar verhaaltjes op papier. Zoo kan ik ze veiliger bewaren dan in m’n vestzakje, weet je? Wil je nog eens de geschiedenis hooren van den dikken koning? Maar hij is in dien tusschentijd nog wat dikker geworden — niet de koning, maar het verhaal.
— O ja, heerlijk! roept de jongen en dan gaat hij op een stoel vlak tegenover Bonger zitten, opdat deze de handen vrij heeft om voor te lezen.
Zij hebben beiden groote pret om het geval en de auteur begrijpt zelf niet, hoe hij zoo iets aardigs heeft kunnen bedenken. Ben ik daar nog toe in staat? vraagt hij zich onder het lezen af. Ik leef zoo snel...
— Oom Lou, het was eenig! roept Kareltje uit, als de vertelling gedaan is. Mag ik van dien dikken koning een plaatje maken?
Daar is natuurlijk geen bezwaar tegen en terwijl de jongen op een zuurtje zuigt, teekent hij den vraatzuchtigen monarch.
220