XIX.
Bonger is inderdaad zeer verheugd met het bezoek. Want hij weet geen ander middel, om dezen middag aan zijn creatieve driften te ontkomen en hij heeft beslist eenige ver-poozing noodig. Naar Fannie wil hij niet gaan, want sinds de ervaring met Fie voelt hij angst bij iedere gedachte aan sexueelen omgang. In het verkeer met het kind behoeft hij tenminste niet voor burgerlijke of crapuleuse pathetiek te vreezen.
— Hoe laat moet ik hem weer komen halen? vraagt het dienstmeisje, dat den jongen om twee uur heeft gebracht.
— Ja, dat moet jij me vertellen, zegt hij tegen Kareltje, die hem dadelijk in de armen is gevlogen. Als je bij me blijft eten, zal ik je daarna thuis brengen, dus voor achten.
— Heerlijk! juicht het kind. Ik blijf hier eten!
Zoo is het dan afgesproken en nu hoeft niemand thuis zich ongerust te maken, althans aangaande Kareltjes thuiskomst.
— Mag ik oom Lou zeggen? is het eerste wat hij vraagt.
— Zeker mag je dat. Hoe ken je m’n naam zoo goed?
— Van tante Fie natuurlijk. Die houdt erg veel van je...
— Zoo zoo, wat jij al niet weet! Dat heeft ze je zeker verteld!
218