— Dat maakt toch weinig verschil. Het ging om Kareltje. Of dacht je, dat ik, wanneer ik Fie wil ontvangen, daarbij de aanwezigheid van een kind vereischt acht? ,
Hij lacht even en Van Swieten legt radeloos het hoofd in de hand. Hoe kan zoo’n onnoozel voorval hem zoo opwinden? Maar is zijn gezag niet op listige wijze belachelijk gemaakt en ondermijnd? Daar heeft Trees ook de hand in, dat lijdt geen twijfel.
— Ik ben er nog niet zeker van, dat ik mijn toestemming zal geven, zegt hij. Daar moet nog een hartig woordje over worden gesproken!
Wat een stompzinnige wreedheid! denkt Bonger. Gekwetste ijdelheid en nieuwsgierigheid en nog veel meer hinderen dezen man. Maar als hij aan het jonge, van verlangen trillende stemmetje van den kleinen baas denkt, kan hij niet passief blijven. En daarom stelt hij Van Swieten voor, het geval nog eens rustig met hem te bespreken. Na veel heen en weer gepraat betoont Van Swieten zich dan grootmoedig. Hij zal door de vingers zien. Vreemd dat Bonger zich zoo voor het kind in de bres stelt, zij het dan op afkeurenswaardige wijze. Maar hoe zou hij ook iets van kinderen kunnen weten? Hij voelt zich onbehagelijk, het komt hem voor, dat Bongers ongedisciplineerde natuur de goede verhoudingen in zijn gezin verstoort. Maar heeft hij, Van Swieten, niet zelf sinds jaren toenadering tot hem gezocht? Ziehier het resultaat: ontevredenheid in hem, den vader, misschien een hopelooze liefde in het hart van Fie, zijn lieve schoonzuster, een onverklaarbare genegenheid van zijn zoon voor den vreemde, waar
216