De onschuldige Bonger vermoedt natuurlijk niets van al dit geharrewar. Den heelen ochtend komt de zaak niet ter sprake. Er is veel te doen en Van Swieten stelt het onderwerp ook liever uit tot het koffieuur.
— Ziezoo, nu zal ik ’t je zeggen, spreekt Trees, als Kareltje na twaalven is thuisgekomen. Je belt meneer Bonger even naar kantoor op. Eenvoudig of niet?
— En als vader nu eens aan de telefoon komt? Ze zitten toch bij elkaar?
Maar dat maakt die handige moeder ook in orde. Ze belt op en als de juffrouw antwoord geeft, vraagt ze kamer 23, maar meneer Bonger moet vooral zelf aan het toestel komen en eerder mag ze niet doorgeven. Daar heeft die juffrouw even pleizier om, want ze vermoedt een afspraakje, dat voor Van Swieten geheim moet blijven. Ze voldoet er dus gaarne aan en als ze er zeker van is, dat Bonger voor het toestel staat, geeft ze de verbinding door.
— Alsjeblieft! zegt Trees tegen Kareltje en geeft den hoorn aan hem over.
— Meneer Bonger? vraagt hij met zijn hooge kinderstem.
— Ja, m’n jongen, hier ben ik, antwoordt Bonger, direct begrijpend, dat hier een kleine intrige buiten Van Swieten om is gesponnen.
— Mag ik Zaterdag bij U komen? Vader wou het niet hebben, omdat tante Fie niet mee kan...
— Zoo? zegt Bonger glimlachend. Kom jij maar, hoor! Ik zal het echt prettig vinden! Tot morgen dus!
214