herhalen, een tweede jeugd, die in haar heldere primitiviteit alle bezwaarlijkheden van het leven oplost. Niets vergeten of verdringen, noch lijden, noch vreugde, maar alles versmelten tot een kinderlijke harmonie, die zingende het hart vervult en de wereld. Ach, dit geluk, dat tot tranen roert bij eenzame overdenking en dat het gelaat open maakt en de lippen los tegenover anderen...
Daardoor komt het, dat Van Swieten hem gisteren nog beschouwde als te zijn teruggevallen in zijn oude gewoonten, maar reeds heden verbaasd is om zijn bescheiden wellevendheid. Nu kan hij weer met Bonger praten over Kareltje en andere zaken, die hem na aan het hart liggen. Zoo heel dom is Van Swieten nu ook weer niet, want hij is ervan overtuigd, dat er iets tusschen Bonger en zijn schoonzuster is voorgevallen. Hij zou er zoo graag achter komen en hij weet er zoo weinig van, eigenlijk heelemaal niets.
Het geluk is nu met Fie, want reeds op Donderdag wordt weer haar hulp als verpleegster ingeroepen, dank zij de voorspraak van haar vriendin. Zij maakt zich gereed en schrijft snel het briefje aan Bonger, dat zij reeds eenige dagen had willen schrijven, maar waarvoor zij nu pas den vorm heeft gevonden. Dan stapt ze op de fiets, post het briefje en rijdt nog even bij haar zuster aan, om haar de goede tijding mede te deelen.
Des avonds brengt het meisje Bonger den brief en hij opent hem zonder emotie, ofschoon hij ziet van wie het epistel afkomstig is.
Een paar woorden slechts:
211