Hoe hij den dag doorleeft, weet hij niet, maar hij moet teruggetrokkener zijn dan ooit en toch voortdurend levend in de angst, dat men hem zal aanranden. En eenzaam in zijn kamer verbergt hij het hoofd in de handen, om geen licht en ruimte te zien, maar desondanks kreunt hij telkens: — Nu ben ik overgeleverd aan de wolven, nu ben ik overgeleverd aan de wolven... En soms smeekt hij: — Geen teederheid, om godswil, geen teederheid... En later weer: — Het is niet waar, ik heb nog niet alles verloren, maar ik weet niet wat het is dat ik nog bezit...
O, slaap, voer hem mee op je donkere, wijde meren, dompel zijn brandend hart in de koelte der bewusteloosheid, laat hem geluidloos wegvallen in de eeuwigheid, als een uit-gebluscht atoom...
Maar zijn vitaliteit is nog niet aan haar einde, want reeds den volgenden morgen bij het ontwaken ziet hij helder den nieuwen koers voor zich. Een absolute eenzaamheid betrachten, maar niet die van den door het leven belaagden scepticus, die alle bruggen tot hemel en aarde achter zich heeft verbrand en wiens eigen bestaan een wanklank is in de wereld zijner meditatie. O neen, dat is het deel van hen die vreezen te worden geschonden. Maar wie uit elke porie heeft gebloed, wie bij elke beweging der gedachten voor het groote vuur der vertwijfeling komt te staan, moet teruggaan tot die klare, diepe bronnen, waaraan het leven eenmaal in ongereptheid is ontvloeid. Het is zoo eenvoudig en hoe hevig moet hij zijn geschokt, dat hij deze troostrijke wetenschap kon vergeten. Een tweede jeugd, hij moet het zich nog eens
210