zijn. Maar geen overwegingen baten meer, want haar be geerte is op hem overgeslagen. En dan gaan zij met stille schreden langs de gangen en trappen van zijn woning. Fie weent en kreunt van ondragelijke liefde en hartstocht en streelt zijn hoofd en armen en zijn lichaam en kust hem, kust hem eindeloos. En hij heeft reeds dikwijls met dierlijke vrouwen verkeerd, maar met geen die zoo zuiver was en zoo wanhopig in haar animaliteit. Hoe zou het ook anders kunnen, want nog nooit heeft een man haar bezeten en zij weet, dat zij dezen eersten haar hart en haar lichaam aanbiedt, evenzeer om haar te verheffen als om haar te vernietigen.
Na uren vinden zij zich weder als moede, gebroken menschen. Hij voelt geen verheugenis om wat er is geschied, maar zij laat nauwelijks een gedachte tot zich doordringen, zonder zich echter ongelukkig te voelen. Dan kleedt zij zich langzaam aan, bij het schemerlampje, en hij doet hetzelfde. En het doet hem leed, haar prachtig lichaam te zien, dat voor iets edelers moet zijn geschapen dan voor den zinneloozen roes, waaruit zij zijn opgestaan. Er wordt bijna geen woord tus-schen hen gesproken. Buiten roept hij een taxi aan en dan rijden zij naar haar huis.
— Blijf maar zitten, ik kom er wel uit, zegt ze voor het uitstappen.
Ze slaat haar armen om zijn hals, kust hem innig en wenscht hem wel te rusten.
— Wel te rusten, Fie, antwoordt hij.
En reeds een kwartier later ligt hij in diepen slaap, omdat hij zoo doodelijk vermoeid is.
208