— Ik heb een grapje gemaakt, zegt Bonger leukjes, maar Van Swieten krijgt een hoofd als vuur.
— Och, zie je wel, stamelt hij, ik dacht dadelijk, dat je me wat wijsmaakte...
— Is dat zoo erg?
— O nee, heelemaal niet, hoor! verzekert de goede man.
— Hm, een tamelijk flauwe mop, zegt Fie.
En daarover wil ze nog wel een woordje met hem wisselen, maar onder vier oogen natuurlijk. Zij kan niet gelooven, dat hij het ding zelf heeft gekocht en van wie zou hij het dan anders hebben gekregen dan van zijn straatsletje? Ja, en nu mag hij denken wat hij wil en dat ze zich aan hem opdringt, maar ze zal zorgen, gelijk met hem weg te gaan, want dit is niet louter een flauwe aardigheid van hem, maar een hoon voor haar.
— Ik moet nu heusch gaan, verklaart Bonger. Ik ga nog niet zoo laat naar bed en ’t is al half elf.
— Gut! Al zoo laat! komt het uit Fie’s mond, dan ga ik ook!
— Dan gaan jullie samen! glimlacht Van Swieten.
Fie zou hem graag iets naar het hoofd werpen, maar zij zegt hem slechts vriendelijk goeden nacht. Bonger uit de obligatoire bedankjes en dat hij het spel van Kareltje niet zal vergeten en, zeker, hij zal gauw weer eens terugkomen en nogmaals bedankt.
— Sta je daar te trappelen in de kou? vraagt hij Fie, die reeds beneden is. Nu zal hij weer wat moeten aanhooren...
— Ik heb ’t niet koud, hoor! Ga je naar huis loopen?
203