Het gepraat maakt Bonger triest, want blijkbaar begrijpt niemand hier iets van dit kind en Fie waarschijnlijk evenmin. Het ergste vindt hij misschien nog, dat dit onbegrip vermoedelijk een heilzame instelling van de natuur is, terwijl de eerste aandrang van zijn hart het heel anders zegt. Het zal wel een goede beschikking zijn, dat hij de kinderwereld slechts droomend betreedt en de duizenden, die kinderen hebben, zich hardnekkig in hun groote-menschenwereld verschansen.
Hij zou graag naar huis willen gaan, er is nu toch niets belangrijks meer te wachten. Maar het is even negen uur en dus in strijd met de goede zeden om reeds te vertrekken. Hij neemt de kamer eens op, terwijl Van Swieten hem een lang verhaal doet, waarnaar hij niet luistert. Het is hier niet zonder smaak ingericht, eenigszins modern, maar niet te veel. Natuurlijk het werk van dat kalme vrouwtje, dat misschien niet heel belangrijk is, maar blijkbaar de deugd bezit van daarvoor ook niet te willen doorgaan. Daar kraken haar schreden in den corridor en tegelijkertijd gaat de bel over.
— Hé, onverwacht bezoek? vraagt Van Swieten, maar de gast heeft reeds een stemklank uit het trapgat herkend. Hij is daar blij om, vanwege de afwisseling, maar voelt geen diepere emotie. Fie daarentegen wel. Haar zuster heeft haar niets gezegd en nu aarzelt ze even bij het binnenkomen, zoo maar ongegeneerd met mantel aan en muts op. Niet dat iemand iets van haar gevoelens merkt, want ze vindt meteen den juisten toon.
— Hé, Lou, jij hier! Dat moet in de krant! Hoe gaat het?
201